Het minnedicht in de zeventiende eeuw

Przednia okładka
A.W. Sijthoff, 1919 - 203
0 Recenzje
Nie weryfikujemy opinii, ale staramy się wykrywać i usuwać fałszywe treści
 

Co mówią ludzie - Napisz recenzję

Nie znaleziono żadnych recenzji w standardowych lokalizacjach.

Kluczowe wyrazy i wyrażenia

Popularne fragmenty

Strona 16 - Mijn lief, mijn lief, mijn lief," soo sprack mijn lief mij toe, Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden. De woordtjes alle drie, wel claer en wel bescheiden, Vloeiden mijn ooren in en roerden ('ck weet niet hoe) Al mijn gedachten om, staech maelend nemmer moe, Die 't oor mistrouwden, en de woordtjes wederleiden.
Strona 191 - t Was nacht toen zy hem zagh; Maer heur gezicht schoot stralen Trots Febus over dagh. Men hoorde mensch noch dier, Geloei van koe noch stier. Gerucht in velt noch kolken. Het weer was zonder wint, De hemel zonder wolken, Diane mingezint.
Strona 83 - Al ben ick schoon Liefje niet machtig rijck, Ick ben ten minsten als mijns ghelijck, Wat geef ick om 't goet, Wat geef ick om 't goet, De beste rijckdommen leggen in 't gemoet.
Strona 58 - t leven, anders niet; 't Glijt voorby gelijk een vliet, Die langs steyle boorden schiet, Zonder ooyt te keeren.
Strona 9 - Want ghij besluit daerin een saligende deucht Vriendlijcke vrolijckheit ; de Min met al sijn treken, Jock, Lach, Bevallijckheit daerinne sijn geweken En wat ter werelt is van wellust en geneucht. Natuire die daer schijnt in droeve damp begraven, 10 Doort missen van u glans, betreurt haer rijckste gaven, Die gh...
Strona 16 - Mijn lief sint ick u mis, verdrijve' jck met mishaeghen De schoorvoetighe Tijdt, en tob de lange daeghen Met arbeidt avontwaerts; uw afzijn valt te bang. En mijn verlangen can den Tijdtgod niet beweghen. Maer 't schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen, Dat jck den Tijdt, die jck vercorten wil, verlang.
Strona 17 - En van d'ontelbre schaer, mach 't niemand bij hem houwen. Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert, Word ick gewaer dat ghij in 't haylich aenschijn voert Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d'andre vrouwen.
Strona 142 - D' eene ronde in d' andre mengelen, Tegens stroom, en dan voor stroom, Binnen menschen, buiten engelen, 845 Luister scherp naer wet en toom. Laet ons op de pennen zweven, Dan, van bloemwerck ondersteunt, Met de voeten kringen weven, Dat de paradijsgront...
Strona 142 - t reppen van de voeten, Laet ons dit volschapen paer Eerst eerbiedigh gaen begroeten : Want het voeght de bruiloftsschaer Datze eerbiedigh oorlof vraegen, Vangen we aen op hun behaegen. I. Tegenzang. O geluckige gepaerde, Bruigom met laurier bekranst, En gy bruit, daer 't al om danst, Wat in hemel en op aerde Zich in uw geluck verblijt, Gunt uw gasten datze om strijt Gode en u ter eere, trippelen, En rondom u heene hippelen.
Strona 13 - De vriendtschap van u oogen de wellust van u mondt, De jonste van u hartgen dat voor mijn open stond etc.

Informacje bibliograficzne